Poëzie

Pogrom in Boedapest

Opengetrapte deuren
bieden een verstilde blik
op jassen aan de kapstok
een hoed op een plank
een sigaar naast de asbak
een plaid op de bank
een vel op de koffie
een lappenpop gevloerd
een magere kat
al te lang niet gevoerd
as in de kachel
van het gedoofde vuur
melk in de ketel
ranzig en zuur
een omgeworpen stoel
een gebroken waterglas
sporen van wie waren
resten van wat was

Ik hoor
de verstommende
schaterlach
van een meisje
amper zeven
de doodskreet
van een jongeman
die nog maar net
begon te leven
het zachte snurken
op de bank
abrupt verstard
moeders sussende stem
schor van radeloze smart

Ik voel
het lood
in hun slepend
voortgetrokken benen
geschaafd
geschonden
door de scherpe stenen
zo niet die van
de oude dame
waardig schrijdend
met opgeheven hoofd
ingetogen lijdend

Ik zie
het knikkebollend
hoofd van een kleuter
op de schouder
van een
in zijn vlucht
gevangen ouder

Aan de kade van de Donau
getuigen hun verbronsde schoenen
een verstilde blik
op wie waren
en hadden moeten zijn

                                                    _________

kwart voor zeven

ontwaakt
met bonkend hart
door angst bevangen
de klamme lakens
houden met gevangen
ik stroop ze af
gluur achter de gordijnen
zie nog net
de donkere wolk verdwijnen
een aarzelende zonnetje
kleurt de druppels op het glas
ik hijs me in mijn oude kamerjas
lakens in de wasmachien
mijn hoofd weer opgeheven
er wacht een hele nieuwe dag
het is pas kwart voor zeven
____________


HAIKU

vloedgolfjes tergen
mijn brandende tenen en
trekken zich terug

teder dwarrelt de
donzen sneeuwvlok op mijn neus
een tel voor ze smelt

als bladgoud dwarrelt
de belofte van stilte
rust en nieuw begin

geef elkaar vleugels
fluister licht teder lief en
wakker de vlam aan

de zon zingt lente

met dansende meizoentjes
en trompetnarcissen

uit dorre stronken
springen broosgroene krullen
die ’t leven lonken


de dood of de gladiolen

broeder hef de gulden roede
ridderspoor uw paard toch aan
laat in wapperende vrouwenmantel
dat kruidje-roer-me-niet ontgaan

suzanne-met-de-mooie-ogen
een ereprijs zo duizendschoon
helmkruid verschiet tot gouden regen
uw monnikskap tot keizerskroon

alles voor een meizoentje
van dat juffertje in ’t groen
ijzerhard en guichelheil
passieflora in vermiljoen

daar klinkt de klokjesgentiaan
bruidssluiers benemen hem het zicht
hij klimt hoog in de jakobsladder
en verlies zijn evenwicht

een glimp van ragfijn venushaar
onder haar gele zonnekleed
zijn vuurpijl zet wellustig heet
het tafereel in rode gloed

zo valt brandende liefde
op lieve-vrouwe-bedstro
en blussen de bruidstranen
zijn gebroken hartje

de hemelsleutel
in zijn vuist verscholen
brult hij vertwijfeld
de dood of de gladiolen

___________

heimelijke liefde

ik was ons
al jaren
kwijt
met het ontvouwen
van oude brieven
vond ik jou
en mezelf
onze
heimelijke liefde
weemoedig
weet ik weer
hoeveel
er ooit
van mij
gehouden is

_______

schimmen

het gele licht
van de lantaarn
werpt een lange
schaduw
voor me uit
ik probeer haar
te bereiken
maar bijna daar
gooit ze zich
weer gerekt
vooruit

in donkere vensters
zie ik haar
ik reik mijn hand
zij reikt haar hand
we kijken elkaar
in de ogen
maar bereiken
ons niet

gracht

de kalme gracht
glinstert
buigend
zie ik haar
ze wiegt
met de windstilte mee
ik wenk
zij wenkt
de spiegel rimpelt
even
en sluit zich weer

_______

op de vlucht

niet omkijken
achterlaten
sluipend
door donker bos
hart in de keel
kind op de arm
verstomd
grote hand
drukt klein gezicht
tegen de borst
niet kijken
opgestapelde stammen
rieken
kokhalsend
gonsend vliegengordijn
vervaagd contouren
doet lijken
op boomstammen
lijken


“In het kader van de onthulling van het Nationaal Donor Monument
is een dichtwedstrijd uitgeschreven. Deze is gewonnen door Wilma Hielema. Zij heeft het gedicht op 21 oktober 2011 in de Grote Kerk in Naarden voorgedragen
.”


orgaantransplantatie

wanhopige smart
tekent het gezicht
van vertwijfeld
nabestaan
terwijl bedeesd
uit grijsgrauwe
rouwsluiers
leven fladdert
en zich nestelt
in een warme holte
op een vreemd
vertrouwde plaats
kostbaar gegeven
zo dood en leven
als nimmer verweven
voortbestaan

Dag mamma

Met een holle snik
mijn klamme hand
op het gladde deksel
van jouw blankhouten kist
vang ik jouw lach
op de door bloemen omgeven foto
in een allerlaatste
traanwazige blik

Starend in likkende vlammen
fluister ik vurig
weet wel
dat ze liefde gaf
liefde was
dat het lichaam dat je nu omvat
kinderen het leven schonk
dat het lachte, huilde, pijn verdroeg
altijd zorgzaam en gevend
terwijl ze zelden iets vroeg
dat ze eerder door het vuur ging
voor haar man en voor haar kroost
zacht was en vreugdevol
teder omhelsend in troost
dat ze wijs was en bescheiden
sterk en trouw en altijd daar
dat ze onmisbaar is
en zeker niet zomaar
in vlammen op zal gaan

In de vlammen
zie ik je gezicht
door de warme gloed
vredig belicht
terwijl het vuur langzaam dooft
voel ik me omarmt
mijn kille hart
troostvol verwarmt

dag mamma


tropisch strand

het warme zand
glipt door mijn vingers
als ik dromerig
naast me tast
de wind zingt een duet
met de ruisende zee
ik zie het lijzig wuiven
van de palmen

het warme zand
glipt door mijn vingers
de zon vleit en paait
maakt goud van dansend stof
meeuwen zweven
door mijn lome gedachten
hun poten bungelen
er onbeholpen bij

het warme zand
glipt door mijn vingers
in de liezen van de rotsen
schuimt het zog als de kraag
van ijskoud
azuurblauw bier
de wolken aan de einder
lijken te drijven
op de vloed

het warme zand
glipt door mijn vingers


MS

grenzen benoemd
lijnen getrokken
tot daar en niet verder
het is niet te plannen

spieren verslappen
bewegingen stokken
ik voel en ik grimas
tracht te herkennen

ontluisterend verlies
van kracht, perspectieven
ik huil en ik slik
ga hier nooit aan wennen

dubbele beelden
letters vervliegen
ik focus en vecht
leer te erkennen

grenzen verschuiven
lijnen vervagen
daar is nu hier
niet meer te ontkennen

ik krabbel weer op
pluk momenten als dagen
weinig wordt veel kruipen lijkt rennen


rijkdom

lijf en leden
dansten lichtvoetig
door de tijd

denkend
dat het
gewoon is
een nacht door te halen
een kind groot te brengen
te eten
te drinken
de hond uit te laten

ze gleden
geruisloos
door de tijd

denkend
dat het
gewoon is
helder te denken
verstaanbaar te praten
te plassen als je moet
en alleen dan

denkend
dat het
gewoon is
te slapen
op te staan
met frisse energie
geen pijn
de onzegbare waarde
zie ik nu
kijkend
naar de mensen
die niet weten
hoe onnoemelijk
rijk ze zijn

Politiek

wie wil scoren in de politiek
is scherp van geest
en scherp van tong
dient de ander van repliek
met in venijn gedrenkte zinnen

gevat, adrem, de opponent
op woorden vangend
om dan
armen over elkaar
genoegzaam achteroverleunend
met een minzame glimlach
de hakkelende tegenpartij
verstrikt in weerwoorden
te zien verzuipen
maar de victorie van ’t moment
blijkt als het applaus verstomt
de weg naar coalities
te hebben afgesneden
smaad en vernedering
maakt politiek tot egostrelen
en daarmee
is geen volk gediend


Het Zeeuwse land

Schapen grazen op stijle dijken
ze rollen net niet van ’t talud
Fietsers over ’t stuur gebogen
het luide lied van een krolse fuut
Galant buigen de wilgen
en wuift het riet
Een vriendelijk welkom
waai mee en geniet

Witte driehoekjes laveren
over de weidse Oosterschelde
Links en rechts de uitgestrekte
bieten- en aardappelvelden
Het zonlicht zet de tarweakkers
in een rijk goudgele gloed
Terwijl het slik weer stil verdwijnt
in de kabbelende vloed

Kerktoren steevast in de verte,
gekroond met glinsterende haan
Zeeuwse knollen in de weide
lompe spierbundels sjokken aan
Wolken schielijk voortgedreven
door de altijd gaande wind
Meeuwen zweven, krijsen, duiken
op de plas dobbert een smient

Steltlopers scharrelen in de modder
doen zich te goed aan bodemleven
Kinderen die met kleurige emmers
kokkels uit het drabsel zeven
En overal lonkt de overkant
De belofte van het Zeeuwse land


In het kille duister
van mijn wezen
dringt langzaam door
dat er iets warms
op mijn schouder ligt
dat aarzelend neigt
tot bewegen

Ik schrik
schud het af
en mis
nog voor de warmte
wegtrekt
dat wat had
kunnen zijn


smart

luidkeels
schreeuwt
de stilte
in mij
en vreet
brandende kilte
het vuur
uit mijn hart


bim-bam

terwijl ik aanbel
lees ik haar naam op de deur
en wacht
hoewel ik weet
dat ze niet zal opendoen
klik zachtjes
met de sleutel
de voordeur open
vanuit de keuken
geen gezongen
ik ben hie-ier
ik trek de
kreunende gewichten op
en geef de klok een slinger
straks
op het heel
zal de vertrouwde bim-bam zeggen
dat de tijd
niet stil is blijven staan
haar geur
trekt vaag een spoor
naar de linnenkast
waar ik een wazige blik werp
op haar pantalons en jurken
knieloos
zijg ik op mijn hurken
zie de doos
achter schoenen
en verlies me
in vergeelde jeugdbrieven
en hartgeheimen
waardoor zij
die mijn moeder was
een vrouw wordt
met een jeugd
liefde en verdriet
twijfels en verlangens
een leven dat ze leefde
niet alleen voor mij
dat besef
stemt mij
zo treurig blij
beneden dreunt
bim-bam
en ik sta op
om haar kleren
in grijze zakken te stoppen


September 2012
Jan zal binnenkort sterven.
Zijn laatste weken zijn zeer intens.
Voor Jan & Anita, in bewondering en liefde.

zij aan zij

een hersentumor
ik kan er met mijn hoofd niet bij
schud onder luidkeels brullen
mijn grijsblonde krullen
vrij

uit beklemmende verschrikking
bang banger bangst
ademhappende verstikking
de angst in
mij

mijn schitterende liefde
een zuivere diamant
met duizenden facetten
stralend hand in hand
blij

tranen gaan
hun eigen weg
als parels op onze
warme gelaten
wij

vasthouden loslaten
innig omarmen
jouw fonkelende gloed
blijft me verwarmen
jij


Lage Vuursche 1971-1974. De optocht met Konninginnedag, een  dierbare jeudherinnering.
Onze moeder maakte voor haar vijf kinderen prachtige kostuums en wij stalen de show. Eén jaar was extra bijzonder. Op een platte kar maakte ze een bos, met stammen als krukjes voor ons als dwergen. Terwijl ons kleine zusje, net geopereerd aan haar oogjes, in een glazen kistje lag. Zo kon ze toch mee.

30 april

het dorp liep uit
in rood wit blauw
oranje boven
de omroeper joelde de menigte toe
en echode ah en oh
bij langs parerende cowboys
matrozen en een clown

maar niemand
was zo adembenemend mooi
als sneeuwwitje op onze wagen
zusje met haar oogjes dicht
verstild in glazen kist en wit gewaad
wij waakten met z’n viertjes
ieder op een hoek
als goedgemutste dwergen

terwijl we met een scheef oog
de bewonderende blikken
van het publiek zagen
dwergonwaardig groeiend onder
het hartelijk applaus

en mamma trok de kar


tongen

terwijl
hete tongen
jonge harten
smelten
kerven
scherpe tongen
diepe wonden
in tere zielen

Vanmorgen was hij er nog

Op het afgehaalde bed
zakt ze aangedaan ineen
haar vinger volgt de contour
in het vaalblauwe matras
waarop net nog zijn lichaam lag

Voorzichtig opent ze de la
van het nachtkastje waarop
roerloos zijn glas water staat
naast een leesbril en een boek
dat nog niet uit is

Ze ziet de gebundelde stapel
de uitgelopen inkt
herkent het handschrift
op de bovenste envelop
net als de anderen ongeopend

Vanmorgen was hij er nog

Snorkelen

terwijl ik bellen uit mijn snorkel blaas
sluit zich het water geluidsdicht om me heen
ik probeer de grijns van een clownvis te vangen
maar kijk dwars door een kwal
die als een transparante paddestoel
pulserend voorbij mijn venster danst
met een strokenrok in kleurloze regenboogtinten


zand erover

hij zit op zijn knieën
en graaft bezeten
met opgestroopte mouwen
tot zijn oksels de rand omvatten
en zijn kin
de zandhoop raakt

zijn ogen vertwijfeld
hemelwaarts
legt hij haar te ruste
en strooit omzichtig
de eerste handen zand

waarna hij wijdbeens
over de groeve gebogen
in één schuivende beweging
de diepte dempt

hij maakte vuile handen
en spaart behoedzaam
de rouwranden
onder zijn nagels


Bijdrage gedichtenwedstrijd ‘kunstenaars tegen kindermishandeling’ 2026

geknakt

zittend
op de keldertrap
de vingers
witgeknokkeld in haar oren
ziet ze de pissebedden krullen
ze zijn met honderden
ze trapt ze
draaiend met de bal
van haar blote voet
hoopt door het knakken
van de schilden
het schreeuwen niet te horen
pats – dood
vermorzelt zij
hem – haar
als ze maar stoppen


ELFJES

wit
loom wiekend
in soepel synchroom
vlieden de geschrokken zwanen
weg

*****
hol
de roep
in het donker
de lucht trilt onheilspellend
bosuil

*****

het
net niet
afgebeten puntje van
mijn tong proeft zilte
tranen

*****

binnen
echoot de
holle roep van
een duif op de
schoorsteen

*****

wij
delen iets
omdat het ons
ten deel gevallen is
lotgenoten

*****

samen

ik wil wel jou zijn
dat jij mij bent
en als jij mij
dan een beetje kent
geef ik jou terug
en ben mezelf
als ik bij jou ben

herfst

de herfst valt
in drassig bruine
kleur en geur
ontvreemd
als een klamme deken
licht en lucht
laat me schemeren
in de somberte
van voorbij


bofkont

erbarmelijk
het onvermogen van de welvarende
om mij tegemoet te treden
laat staan terzijde te staan

natuurlijk wil ik niet
dat die bofkont iets zou treffen
dat hem doet beseffen
dat zijn voorspoed geen verdienste is
maar puur geluk

ach misschien toch heel even
opdat hij voelt hoe het is
een leven te leven
dat afhangt van gunsten
even
zodat ik met hem
mee kan leven


Voor mijn oom, overleden in 2015, na een leven vol tegenslag en dwalingen

de avond is gevallen

de avond is gevallen
ik heb er vaak
naar uitgezien
geroepen
kom toch
donkerte
maar de zon
bleef onverbiddelijk
en bescheen dat
wat duister was
en geen daglicht verdroeg

diep in mijn kraag
het hoofd gebogen
liep ik
met grote bogen
om mijzelf heen
naar niets
naar niemand
ik ben
en heb
verloren

grauwe pijn
om wat was
en niet
meer kan zijn
verdriet
om wie ik was
en niet
wilde zijn
vertwijfeling
wat doe ik eraan
wat doe ik ertoe

op de bodem
van de put
rest slechts
de weg omhoog
mijn uitgestoken hand
werd vastgegrepen
dankbaar zuchtte ik
tot iets in mij
de fragiele band
bruut vernielde
en ik weer viel

bijeengeraapt
en opgenomen
nog een keer
het pad
de kuilen
mensen die zorgen
berispen
en schromen
broers die omarmen
die huilen
die komen
omdat ik er ben
gewoon
omdat ik er ben
ik kon het niet geloven

ik was er
en ik mocht er zijn
en zij zagen mij
zij zagen mij graag
ze zagen mij echt

mijn neus in de lucht
mijn ogen gesloten
warmde het zonlicht
mijn mijmeringen
over wat was
en wat had kunnen zijn
ik schud het af
het is geweest

het nu
de warmte
dit is fijn
en als straks
de zon ondergaat
geniet ik
met verwarmd gelaat
nog na

de avond is gevallen


nabij

ik ben
uit het
zicht
in het
licht
langszij
ben ik
zonder
haast
en tijd
nabij
zweef ik
in lucht
doem ik
op
dagen
en
dwaal
ik
bij vlagen
voorbij


keerzij

zij

ze
deint mee
op de cadans
van het spoor
naar een oord
van rust
en lichtheid
een schelle toon
verstoord
haar reis
en bij de deuren
slokt
de grimmige massa
mijn illusie op
ze verstard
ontgoocheld
terwijl
de gaande trein
haar kalme droom
luidruchtig meezuigt
behoedzaam kijkt ze
en ziet de rails
in orde verbonden
aan de einder verenigd
als een touwladder
noden ze
tot klimmen
naar de horizon
haar wang
op de rails
voelt ze
de trillende wagon
naderen
en reist
ze mee
naar licht
en rust

keer

ze slaapt
een
flauwe glimlach
terwijl
haar hoofd
een fractie
meewiegt
op het
ritme
van de trein
ik fluit
en zie
haar schrik
die met haar
weifelende gang
naar de deuren
omslaat
in vertwijfelde
angst
schreeuwend
uit holle ogen
deuren sluiten
een zwarte glimp
zegt
dat ze gaat
krakend
meld
de portofoon
wat ik al weet
met loden schoenen
koppig
opkomend gal
wegslikken
pak ik
het zeildoek
en sleep me
voorwaarts
om haar
te bedekken
wetend
dat ik haar
zal weerzien
in de
radeloosheid
van mijn dromen


zwartblauwe nacht

beukende golven
doorklieven de stilte
koudwit maanlicht
weerspiegelt mijn kilte

huilend luisteren
naar brekende baren
ze fluisteren
mijn naam
en die van hem
ik loop de branding in
totdat ik zwem

bulderend nu
als seinende kreten
ik schreeuw het uit
en vecht verbeten
tot de zwartblauwe diepte
alles verduistert
en me in ijzige armen sluit


geluk

uithijgend in de branding
het zilte schuim nog op mijn lippen
beleef ik
de verzanding
van geluk
dat als tijd
door mijn vingers glijd

het kwam
in een aanzwellende golf
die me bedolf
maar pas in ’t wegtrekkend getij
treft mij
het besef
ik raak het kwijt


belofte

het licht kiert door de donkerte
van dennenbomen
die zich op ijle hoogte sluiten
tot een diffuus groengolvend dak
de zon lokt de krullen
van teergroene varens
en verwarmt
het klamme mostapijt
dat nodigt tot ruglings nedervleien
en staren naar boomtoppen
die wuifwiegend wenken
en vleugjes hemelsblauwe
belofte schenken


ontblote geheimen

in de ontluisterende kilte
van het zielsverlaten huis
worden geheimen
blootgelegd
in het blozend zicht
van de nog immer
hangende messias

in de fluisterde stilte
afgedekt door stof en gruis
komt niet te rijmen
ongezegd
aan het broze licht
wat beter nimmer
gezien was


naakt

naakt
beschermd
door de diepte
van de nacht
die waakt
in het blauwlicht
van de maan
jouw gezicht
tedere pracht
glimlacht
zacht
als de stilte
spreekt
voor de dag
aanbreekt